Nieuws

Toespraak Rabbijn Vorst: Holocaust Amstelveen

Toespraak Rabbijn Vorst: Holocaust Amstelveen

Amstelveen - Rabbijn I. Vorst hield afgelopen zondagavond tijdens de onthulling van het monument Levenslicht in de Stadstuinen in Amstelveen een aangrijpende  toespraak over zijn ervaringen en zijn beleving van de Holocaust.


Onderstaand de tekst van Rabbijn Vorst, uitgesproken op 26 januari 2020.

Mijnheer de burgemeester, bestuursleden, geachte aanwezigen,

*Mij is verzocht te spreken over mijn ervaringen en mijn beleving van de Holocaust.

*Wat betreft mijn ervaringen: ik was vijf jaar toen wij werden weggehaald. April 1943. Nog zie ik de agent in de voortuin van ons huis in Rotterdam staan. Wij moesten ons direct melden in het ‘Durganglager’ Westerbork, waar wij – Vader, Moeder, zusje en twee broers – acht maanden zijn geweest.

In januari 1944 werden wij gedeporteerd naar het concentratiekamp Bergen Belsen. Een afschuwelijke tijd met urenlang op appèl staan; in de strenge winter en de hete zomer. De omstandigheden daar waren erbarmelijk. Mensen die mishandeld werden, mensen die gek werden, die ontkleed door het kamp liepen. De voortdurende honger. Zelfs cocons van vlinders werden gegeten!

Begin april 1945 beseften de Duitsers dat zij de oorlog gingen verliezen. Zij probeerden ons alsnog naar de gaskamers te transporteren. Ons gezin werd in een goederenwagon/beestenwagen gesmeten, in de dolende, dodende trein van het Verloren Transport. Twee weken zwalkend door Duitsland op de vlucht voor de oprukkende troepen van de Geallieerden. In Troebitz, in het oosten van Duitsland, werden wij eind april door Russische soldaten bevrijd.

Mijn moeder heeft het niet overleefd. Mama is in die afschuwelijke trein van honger bezweken en in een niet terug te vinden massagraf naast de spoorrails begraven. Mijn vader en wij, de kinderen - kwamen met meer dan 40 graden koorts en met tyfus tenslotte via Riesa en Leipzig terug naar Nederland. Lijdend aan TBC kwam ik pas eind maart 1946 ‘thuis’.

Dit, ik het kort, wat betreft mijn ervaringen.

*Wat betreft mijn beleving:

Ik heb – opmerkelijk, gezien de periode van meer dan twee jaar – bijna geen herinneringen. Ik wil ze ook niet ophalen. Want:

- Als G.d de mogelijkheid heeft gegeven te kunnen vergeten, pak ik die mogelijkheid met beide handen aan. Dus geen boeken, artikelen, verslagen, t.v. programma’s enz. Geen reizen naar Bergen Belsen, Troebitz, helemaal niet naar Duitsland.

Toch, soms, gebeurt er iets onverwachts:

Ik rij met Opperrabbijn Jacobs mee in een auto. Wij arriveren, in verband met een plechtigheid, in het Herinneringskamp Westerbork. Ik zit op de achterbank van de auto. Een man wijst waar de auto kan worden geparkeerd. En dan, plotseling hoor ik mij uitroepen: ‘Oh, dat niet!’

Ik zag de marechaussee van Westerbork weer voor mij…

Alsjeblieft, ik wil geen herinneringen ophalen. Alleen, ik ben alleen bereid over de Holocaust te spreken bij bijeenkomsten zoals deze nu.

En zoals afgelopen donderdag in Westerbork. Om namen te lezen. Van al die honderd-en-vier-duizend mensen – nog steeds onvoorstelbaar - die in de kampen vermoord werden. En ik las: ‘Die en die, 76 jaar, 43 jaar. Die en die, 3 en 7 jaar.

Ik zag het helemaal weer voor mij. Die bejaarden in de kampen. De kinderen daar. Dat wilde ik niet zien, maar het overkwam mij. Omdat ik het zelf heb meegemaakt.

*Toch: het is goed en verstandig herinneringen te beperken op grond van de benadering van de beroemde psychiater Viktor Frenkl z.l.- de vader van de logotherapie:

Hij verklaarde: ‘Zelfs in de meest absurde, pijnlijke en inhumane situaties kan het leven potentieel zinvol zijn.’

Hij schrijft over zijn ervaringen in de concentratiekampen Theresienstadt en Auschwitz.

Zijn vrouw en dochter kwamen om in Bergen Belsen.

Hij benadrukt de buitengewoon bijzondere gedragingen, in die onvoorstelbare omstandigheden, van soms heel gewone mensen daar. Frenkl legt uit dat ook heel gewone mensen heel bijzonder kunnen zijn!

Zoals:

‘De trein uit Westerbork is bij Bergen Belsen aangekomen. Het concentratiekamp zelf ligt op een afstand van twee uur lopen. De kleine kinderen met hun moeders worden met vrachtwagens vervoerd. Er is geen enkel licht in de auto. Moeders roepen dat hier een klein kind staat, waar niet op getrapt mag worden. Zij hebben de baby’s in de armen en de kleuters tussen de knieen. De kinderen gillen van angst en ontzetting.

Dan, door de kluwen van wanhoopskreten heen, begint opeens een moeder, met drie eigen kinderen bij zich, een kinderliedje te zingen:

‘Drie kleine kleutertjes
die zaten op een hek
boven op een hek…’

Er valt een korte stilte in het gegil. Dan zingen meer moeders mee, en dan de kinderen, helder en onbevangen. Als het liedje uit is, komt dadelijk een ander, telkens een ander.’

Zo schrijft Clara Asscher-Pinkhof in haar boek Sterrekinderen.

Die zingende kinderen…ik was een van die kinderen.

Die zingende moeder…was mijn moeder. Alleen een foto is wat ik van haar heb. Altijd op mijn hart gedragen. En ín mijn hart…

Eerder nog. Mijn moeder was zwanger toen wij werden weggehaald. De baby, een jongentje, werd in Westerbork geboren. Mijn ouders noemden het kind Boruch Nechemja. Nog geen maand heeft Boruch Nechemja geleefd, toen stierf hij.

Mijn moeder had haar baby zelf gevoed. Na het verlies van haar kind wist zij het op te brengen andere baby’s de borst te geven. Omdat de eigen moeders daartoe niet in staat waren.

Een vriendin maakte mij erop attent hoe bijzonder dat is geweest. U, dames hier, zult dit begrijpen.

En dan nog een, laat ik het noemen, Viktor Frenkl-gebeuren:

Chanoeka-Inwijdingsfeest gaat het worden. Men vraagt de Chassidische Bluzener Rebbe in het mannenkamp van Bergen Belsen de eerste avond het eerste lichtje aan te steken. Waarschijnlijk, bij gebrek aan een echte menora (Chanoeka-lamp) met wat schoensmeer in een beker.

Die dag roepen de SS-ers een aantal mannen naar voren te komen. En ze slaan erop los. Ranselen totdat de mannen tot bloedens toe geslagen dood of zwaargewond rondom blijven liggen. En daar moet dat Chanoeka-licht worden aangestoken…

Als het avond is geworden spreekt de Rebbe de eerste beracha-lofzegging uit: ‘Baroech – wij danken U, G.d, dat U ons het voorschrift van het Chanoeka-licht hebt gegeven.’

Dan, de Rebbe heeft grote moeite – na alles wat er die dag is gebeurd - de tweede lofzegging uit te spreken: ‘Baroech – Wij danken U omdat U indertijd toen, bajamiem haheem, in die dagen, wonderen voor ons hebt verricht.’

Dan moet nu de derde lofzegging worden uitgesproken. De Rebbe aarzelt. Kan hij die woorden uitspreken? Nu, hier, na vandaag?

Hij kijkt even achterom. En ja, dan zegt hij de derde lofzegging: ‘Baroech – wij danken U, G.d, dat wij dit mogen beleven!’…

Na afloop komt een van de aanwezigen naar de Rebbe toe:

 ‘Die eerste twee lofzeggingen, dat u die hebt kunnen uitspreken, OK. Kan ik mij nog voorstellen. Maar hoe hebt u die derde lofzegging kunnen uitspreken: ‘Wij danken U, G.d, dat wij dit mogen beleven?’

‘Hoe hebt u die woorden kunnen zeggen? Opgesloten hier. Gevangen in dit vreselijke concentratiekamp Bergen Belsen! En dat nog wel na wat er vandaag hier is gebeurd! De dode lichamen! De zwaargewonden! Is het daar, waar wij G.d voor danken?!’

En de Bluzener Rebbe antwoordde: ‘Dat is wat ik mij ook afvroeg. Ik keek achterom om te zien of daar misschien een rabbijn stond, die mij zou wenken die derde beracha wel of niet uit te spreken. Maar ik zag geen rabbijn. Wat ik wel zag?’

En de Rebbe vervolgde: ‘Ik zag daar mannen staan met een blik in de ogen van niet opgeven, blijven hopen. Ondanks alles. En ik zei: ‘O, mijn G.d. dank, dank! Ik dank U dat ik dit mag beleven!’

*Tenslotte: de tekst bij de uitnodiging. Daar lezen wij:

‘Met in totaal 104.000 lichtgevende stenen – gelijk aan het aantal slachtoffers uit Nederland – staat het Holocaustmonument ‘Levenslicht’ symbool voor de blijvende impact van de Holocaust.

De stenen lichten om de paar seconden op. Stenen, die niet - zoals veelal de gewoonte is - neergelegd kunnen worden op het graf van de 104.000 vermoorden. Want zij kregen immers geen graf.

De stenen ademen ‘licht’ om de herinnering aan de slachtoffers levend te houden.

Tegelijkertijd staat licht voor hoop en leven.’

Tot zover uw tekst.

Ik wil hieraan toevoegen:

Een herdenking als deze is zinvol. Herdenken, her-denken. Opnieuw denken en na-denken. Hoe het was. En hoe het niet en hoe het wel moet zijn.

Herdenken, zoals die prachtige zin van Bilderdijk die ik las in zijn boek ‘Amsterdam in Oorlogstijd’:

‘In het heden ligt het verleden;

In het nu, wat komen zal.’

Mijn gedachte en wens: ‘In het heden ligt het verleden.

‘ligt’- je schrijft het met de letters l-i-g-t.

Maar ik wil het ook anders begrijpen. Niet met een letter g geschreven, maar met een ch. L-i-ch-t. Licht, stralend. Heel toepasselijk hier bij het Holocaustmonument ‘Levenslicht’.

En dit is ook de wens en de hoop waarmee wij straks na deze her-denking naar huis gaan en moge het met G.ds hulp zo zijn:

In het heden licht (met ch) het verleden;

En vooral: in het nu, licht (opnieuw met ch) wat komen zal!

Ameen. Zo moge het zijn!

Sharing is caring:

Amstelveen Oranje
Van Heuven Goedhartlaan 630
1181LP
Amstelveen

info@amstelveenoranje.nl
020 617 71 73