Joods kind in de oorlog; Marianne Zijlstra
- 3 uur geleden
- 2 minuten om te lezen
Marianne Zijlstra werd geboren in 1933. Ze woonde met haar ouders aan de Van Spaenstraat 15 in Amstelveen. Toen de Tweede Wereldoorlog begon, was zij zeven jaar oud.
Als kind wist Marianne niet wat het betekende om Joods te zijn. Thuis werd niet over geloof gesproken. Ze werd niet religieus opgevoed en kende de gebruiken niet. Pas toen haar moeder een gele ster moest dragen, hoorde ze dat ze Joods waren. Haar ouders probeerden uit te leggen wat dat betekende. Maar voor een meisje van zeven was dat moeilijk te begrijpen.
Marianne voelde zich niet anders dan andere kinderen. Toch merkte ze dat er iets veranderde. Sommige kinderen mochten niet meer met haar spelen. Vriendschappen stopten zomaar. Zonder uitleg.
Aan de overkant van hun huis woonde een groot Joods gezin. Op een dag werden zij weggevoerd. Ze gingen naar Westerbork. Marianne bleef achter met haar moeder. Het gewone leven werd steeds stiller en kleiner.
Op een gegeven moment moesten Marianne en haar moeder Amstelveen verlaten. Er kwamen Nederlandse mannen in hun huis. Zij schreven alles op wat er stond: meubels, spullen, speelgoed. Alles moest achterblijven. Het huis moest leeg. Marianne vond dat heel erg. Vooral haar speelgoed. Ze had twee grote beren waar ze veel van hield. Ze probeerde ze mee te nemen, maar dat mocht niet. Ze moest bijna alles achterlaten. Haar knuffels, haar spullen, haar vertrouwde wereld. Voor een kind van zeven is dat bijna niet te begrijpen.
Het verhaal van Marianne laat zien hoe de oorlog ook in Amstelveen het leven van gewone gezinnen veranderde. Hoe een kind, dat niet eens wist wat “Joods” betekende, toch werd buitengesloten. Hoe huizen leeg werden gehaald. Hoe mensen verdwenen.
Door haar verhaal te vertellen, helpt Marianne ons herinneren wat er is gebeurd. Zodat wij begrijpen wat uitsluiting en haat kunnen doen. En zodat we blijven kiezen voor respect, vrijheid en zorg voor elkaar.



